Mooie vondst: penning uit 1602

Geplaatst door: 20/04/2012

Mooie vondst: penning 1602

penning 1602

Bij de afbraak van de winkel van Berkvens te Boxmeer, waar nu Live your Loft is, werd in 2009 een penning uit 1602 met de naam Grave gevonden

achterzijde: QVI .DEVS .AD . THENAS .IATITANTEM .TERRVIT . HOSTEM  Vertaling: “Dezelfde God die de  verschuilende vijand bij Tienen verbaasde”

afbeelding: het Spaanse leger van Mendoza houdt zich verscholen bij Tienen achter verschansingen,  ondanks dat het Staatse leger onder  Maurits zeer dicht genaderd is. Binnenin staat de Goddelijke  naam  Jahweh  …………………………………………………………………………

Voorzijde:  HIC . DEVS . AVRAICIS . EREPTAM . REDDIDIT . URBAM en het jaartal 1602.

Binnenin staat: GRAVE Vrij vertaald staat de tekst in verband met ‘het ontnemen en teruggeven van de stad Grave door God’.

Afbeelding: Prins Maurits en het Staatse leger tegen de Spanjaarden, verschanst achter een walgravensysteem te Grave.

Afbeeldinggrave3afbeeldingen (foto MPO, munt en postzegel organisatie)

De penning die ik gevonden heb is niet van die kwaliteit dan die op de foto doch de teksten en het jaartal 1602 en de naam Jaweh en Grave zijn goed te lezen.

Deze verzilverde penning is  een jeton of rekenpenning: Door de slijtage is hij waarschijnlijk wel als munt in omloop geweest.

Met rekenpenningen werd vanaf de 12e eeuw tot de 16e eeuw in West-Europa gerekend op een rekenbord of rekendoek. Voor het woord rekenpenning wordt ook vaak het uit het Frans afkomstige woord jeton gebruikt, maar “jeton” betekent toch eigenlijk meer dan alleen rekenpenning. Het kan net als het Engelse begrip “token” ook verwijzen naar gildepenningen, speelpenningen, toegangspenningen of bijvoorbeeld door groot winkelbedrijven verzorgde penninkjes voor verrekening van klein geld bij een gebrek aan dat laatste.

Het rekenbord of -doek, waarbij op horizontale lijnen van verschillende waarde met penningen, steentjes of anderszins werd opgeteld, afgetrokken, vermenigvuldigd etc., bestond al bij de Romeinen maar was in de middeleeuwen buiten gebruik geraakt. De opbloeiende handel in Italië en Frankrijk zorgde voor hernieuwde introductie, waarbij het systeem rond 1600 in onbruik geraakte door de invoering van nieuwe rekenmethoden en pen en papier.

Rekenpenningen waren al vanaf het begin van decoratie voorzien. In de tweede helft van de 16e eeuw werd die decoratie vooral in de Nederlanden van politieke aard. Uiteindelijk was dat politieke karakter zo belangrijk dat het één van de redenen was dat ze nog werden geïntroduceerd lang nadat niet meer met rekenbord of rekendoek werd gerekend.

Vanaf het midden van de 17e eeuw begon de rekenpenning zich meer en meer als speelpenning of fiche te manifesteren, waarbij door de producenten (Neurenberg was een groot centrum) vaak werd teruggegrepen naar historische rekenpenningen, maar dan meestal in verkleinde vorm.

De meeste rekenpenningen worden geslagen in koper, messing of zilver – hoogst zelden, en dan waarschijnlijk al als speelpenning, in schildpad of walvisbalein – en lijken oppervlakkig dan ook op munten. Omdat ze met de hand moeten worden gelegd op het bord of doek, zijn ze ongeveer een duim ofwel rond 25 mm in doorsnee en voor betere stapelbaarheid is de aangebrachte decoratie niet diep.

Het staat vast dat een belangrijk deel van de als aardigheidje door de vorst gegeven vroege rekenpenningen als betaalmiddel in circulatie werd gebracht, evenals de latere jaarlijkse overtollige rekenpenningen van de klerken – en zelfs wellicht de “bobo’s” – of in het geval van zilveren exemplaren voor verwerking door zilversmeden of het munthuis werden aangeboden. Dit wordt onder meer aangetoond door de grote aantallen zwaar versleten en daarom ook niet verzamelwaardige rekenpenningen die nog in de bodem worden gevonden of die nog bewaard zijn gebleven, nadat ze in ieder geval na onze geldsanering in het midden van de 19e eeuw niet meer voor betaling konden worden gebruikt. Het gebruik van een leg op het rekenbord of -doek zou in enkele jaren van gebruik niet zo’n slijtage veroorzaken.

Er is weinig bekend over het gebruik van rekenpenningen in het zakelijk verkeer, zoals bij de boekhouding van kooplui of als hulpmiddel voor geldwisselaars. Daar zal een penning langer in gebruik zijn gebleven, maar zal slijtage in het algemeen ook gering zijn.

Speelpenningen werden ook al vroeg gebruikt bij kaart- of bordspelen. Bij het spel in herbergen en dergelijke gelegenheden zal het toch meestal om geldelijk gewin zijn gegaan en waarschijnlijk hebben oudere rekenpenningen daarbij ook een rol gespeeld, hetgeen aan hun rol in de geldcirculatie geen afbreuk doet.

In verband met de historische gebeurtenis, afgebeeld op deze penning, n.l. het beleg van Grave is deze penning binnenkort permanent te zien in het museum in Grave: http://www.graafsmuseum.nl/

 

Dick Reijnen

 

Boxmeer in de Prehistorie

Geplaatst door: 09/04/2012

Boxmeer in de prehistorie en de wijze waarop men in ons gebied in vervlogen tijden kennis maakte met het gebruik van metalen en munten.

De smalle strook land tussen het ‘grote moeras’ dat de Romeinen later ‘Palus’ (Peel) noemden en de regenrivier ‘Mosa’ ( “zij met eigen wil”) werd al eeuwen bewoond, voordat de Romeinse legioenen een weg aanlegden en hierlangs hun sporen achterlieten. De hoger gelegen gebieden langs de beddingen van de kronkelende Maas leenden zich uitstekend voor bewoning. Het is duidelijk dat er lang geleden nog geen sprake was van een permanente rivierbedding.

Door de talrijke oude Maasbeddingen stroomde nog lange tijd water, voordat deze geheel verzandden en droog vielen. De hoge plaatsen langs deze oude geulen en meanders (kronkels)  waren in de prehistorie geliefde woonplaatsen.

Op de vele zandduinen en de hoge stroomruggen kon men betrekkelijk veilig wonen. Het water vormde bijna geen bedreiging voor have en goed en het was tevens onmisbaar om in levensonderhoud te voorzien. We denken hierbij aan drinkwater voor mens en dier, wassen, jacht en vermaak.

Het gebied, waarin het huidige dorp Boxmeer gesitueerd is, behoorde tot een dergelijke veilige en uitverkoren woonplaats. Hedendaags vinden we de oudste sporen  van bewoning   in dit gebied danook terug op deze zand-en stroomruggen. ( v.g.l ‘t Zand )

De Steentijd

De vondsten die terug gaan tot het Mesolithicum, ongeveer jaar 6000 v. Chr., tonen aan dat jagers en verzamelaars  in de zomer regelmatig het waterrijkegebied introkken en er hun tentenkampen opsloegen, om zich, na een genoegzame periode, voor de winter weer terug te trekken in hun “woningen”, de grotten in de Ardennen.

 microlieten uit Overloon, 5500 voor Chr.

Bewijzen van deze mesolithische of middensteentijdperiode leveren de talrijke kleine vuurstenen werktuigjes (microliten) die op dergelijke  tijdelijke woonplaatsen gevonden zijn. Vondsten van geslepen vuurstenen bijlen tonen aan dat er ná de bovengenoemde periode, een tijd is aangebroken dat er sprake was van een meer permanente bewoning.

 Stenen bijlen gevonden in Boxmeer

Geslepen bijlen werden gebruikt voor het kappen van bomen, wat betekent dat er ruimte voor bewoning en landbouwgrond geschapen moest worden.

Het klimaat zal beslist wat aangenamer zijn geworden, zelfs in de winter.

Toch moesten er woningen gebouwd worden. Dit waren de eerste boerderijen.

Op beperkte schaal werd er landbouw en veeteelt bedreven. Daardoor was er behoefte aan voorraadschuren. Deze voorraadschuren, spiekers genaamd, stonden op houten palen om te voorkomen dat dieren en eventuele overstromingen de inhoud zouden aantasten. Vaak bracht men alles onder in een groot  houten gebouw. De landbouwprodukten bewaarde men in potten en schalen die vervaardigd werden van klei, de lokaal aanwezige delfstof. Deze tijd noemt men het Neolithicum of nieuwe steentijd. ( 4000-1700 v. Chr.)

Het aardewerk uit die tijd wordt nu nog regelmatig op Boxmeers grondgebied teruggevonden. Toch werd de jacht ook in deze periode beoefend, getuige de talrijke bewerkte vuurstenen pijlpunten die gevonden zijn.

pijlpunten, gevonden in de Gemeente Boxmeer

Ook de strijd om de aanspraak op een stuk grond zal toentertijd menigmaal beslecht zijn door middel van het ‘oneigenlijk’ gebruik van een stenen bijl. De in die tijd begonnen machtsstrijd om een stuk eigen grond heeft zich in de geschiedenis van de mensheid ontelbare malen herhaald, zelfs in de tegenwoordige tijd.

De Bronstijd

In de Bronstijd, 1700- 700 v. Chr., maakte men in onze regio voor het eerst kennis met een nieuw materiaal, het brons, een legering van koper en tin.

Omdat brons een niet alledaags en kostbaar metaal was, met in het begin waarschijnlijk een magische uitstraling, werd  nog lange tijd  gebruik gemaakt van, uit vuursteen vervaardigde, produkten. Bovendien was men niet in staat gebruiksvoorwerpen van brons zelf te vervaardigen, omdat de grondstoffen niet voorhanden waren en men aldus genoodzaakt was deze metalen voorwerpen te kopen of door ruilhandel te verkrijgen.

Blijkbaar was men ook huiverig voor het omschakelen naar en het gebruik van nieuwe technieken.

Het metaal was immers vlijmscherp te maken, het was hard, buigzaam, men kon het smelten en hergebruiken zonder veel  materiaal te verliezen en was daardoor uitstekend geschikt voor de produktie van werktuigen en wapens, alhoewel het brons wel verkleurde en oxydeerde.

De materiaaleigenschappen van vuursteen waren t.o.v. het brons beduidend minder, het was breekbaar en was vrij snel bot. Vuursteen was wel  in ruime mate voorhanden. Het werd gevonden langs de rivier en verkregen door ruilhandel.

Er zijn in ons gebied niet zoveel bronzen voorwerpen uit die tijd gevonden. De vondst van enkele speerpunten en bijlen wijst op een zuinig gebruik. Langs de oeverwal in Sambeek werd een mes uit de Bronstijd gevonden.

Bronzen voorwerpen uit Boxmeer

Nog zeldzamer was het metaal goud in onze contreien.

Het moet in die tijd op de bevolking een betoverende kracht uitgeoefend hebben.

Een metaal van een onmetelijke schoonheid, dat prachtig glansde, nooit verkleurde, niet oxydeerde en dat gemakkelijk koud te bewerken was.

Men zal het hoogst zelden gezien hebben, hooguit in de vorm van een sieraad.

De zeldzame vondsten in Nederland komen uit grafheuvels en enkele graven.

Toch werd reeds in de 15e eeuw voor Chr. in Egypte goud gewonnen door het erts te wassen in rivieren.

Men vond het in de vorm van kleine klompjes.

Omdat het zo zeldzaam was, werd het altijd goed bewaard en bij rampspoed het eerst gered.

Het is een gegeven dat plunderaars en veroveraars altijd op goud uit waren. Zo is het eeuwen daarna nog gebleven. Alchimisten zijn altijd opzoek geweest naar de ‘steen der wijzen’: een middel of methode om onedele metalen in goud om te zetten. Men meende dat het samensmelten van zwavel (geel) en lood (zwaar), goud zou opleveren. Vele eeuwen later zou de belangstelling voor goud zelfs ontaarden in goudkoorts.

De IJzertijd

In de IJzertijd ( 700 – 100 voor Chr.) maakte men kennis met een nieuw metaal, het ijzer.

Dit metaal werd gewonnen door het smelten van ijzererts. Vondsten van ijzerslakken vormen een bewijs voor inheemse produktie. Naarmate de tijd vorderde kreeg men de technieken, die met de bewerking van de verschillende metalen te maken hadden, steeds beter onder de knie.

Door experimenteren kreeg men steeds meer inzicht in de eigenschappen  en mogelijkheden van het materiaal.

De prehistorische mens hoefde het ijzererts niet te importeren. Men beschikte over 2 belangrijke bronnen, nl. het moerasijzererts (oersteen), dat in venige gebieden en in beekdalen ontstaat in de vorm van ertsbanken en de klapperstenen die als afgeronde ijzerconcreties, waarvan de kern soms los zit en waardoor ze bij het schudden het naamgevende geluid maken, voorkwamen in oude zandgebieden.

Als gevolg van de eigenschap van dit metaal (roesten) en door de toestand van de bodem en het klimaat, wordt er bij opgravingen bijna geen ijzer uit deze periode teruggevonden.

Vondsten van plattegronden van boerderijen, spiekers, waterputten, haardplaatsen, graven en de vele resten van gebruiksvoorwerpen w.o. aardewerk scherven, spinklosjes, maalstenen, slijpstenen, weeftouwgewichten en  fragmenten van glazen armbanden,  getuigen van een grote aktiviteit in ons gebied.

In de laatste fase van de IJzertijd maakte men in ons gebied waarschijnlijk voor het eerst kennis met zilver in de vorm van munten.

Dit metaal moet eveneens een grote aantrekkingskracht op de mensen uitgeoefend hebben.

Door de glans en houdbaarheid (het verkleurde alleen) was het zeer geliefd. Het zilver was in die tijd zeer zeldzaam, omdat het van ver geïmporteerd moest worden en omdat het in tegenstelling tot goud zelden in zuivere vorm  in de natuur aangetroffen wordt, waardoor het pas gewonnen kon worden door zilvererts te smelten. Men zal het daardoor weinig in handen hebben gehad.

In 2000 voor Chr. in Mesopotamië ( Griekenland ) wist men al zilver te winnen door looderts, dat een bepaald percentage zilver bevat, te smelten.

De eerste zilveren munten in ons gebied werden geslagen en meegebracht, in de 1e eeuw voor Chr., door Keltische stammen uit het Midden Rijngebied.

*******************In onze gemeente is in 1986 tijdens de voorbereidingen voor de aanleg van de A 77 door Dick Reijnen een Keltische zilveren quinarius of kwart stater gevonden. Afgezien van het feit dat vondsten van zilveren Keltische munten redelijk zeldzaam zijn, is deze munt extra interessant vanwege het opschrift op de keerzijde waarbij Griekse en Latijnse letters door elkaar gebruikt zijn. Dit verschijnsel deed zich voor tijdens de overgangsfase na de Gallische oorlogen van Caesar. De gevonden quinarius wordt gedateerd in het midden 1ste eeuw v.Chr en draagt het opschrift SΟΛΙΜΑ of CΟΛΙΜΑ. Het opschrift wordt uitgelegd als Solimarios, wat de naam van een munter zou kunnen zijn. Deze munt wordt toegeschreven aan de Leuci, een Keltische stam die in het Noordoosten van Frankrijk woonde**********

 

Keltische munt: zilveren Quinarius,  midden 1ste eeuw v.Chr, en daarmee de oudste munt die in Boxmeer gevonden is. Determinatie Ron Fierst.

Men veronderstelt dat ook de Bataven, toen deze zich rond 50 voor Chr. in het Nederlandse rivierengebied (Betuwe)  vestigden, zilveren munten geslagen hebben.

Het zijn de zogenaamde regenboogschoteltjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorbeeld van een zilveren regenboogschoteltje van de Kelten Op de voorzijde was een triquetum (een symbool met drie beentjes) in een krans, op de keerzijde cirkelpatronen binnen een Keltische halsketting.

De Kelten sloegen ook gouden munten.

Volgens een sage zouden op de plek waar de regenboog de grond had geraakt gouden druppels achterblijven. Men vond ze wel eens bij het omploegen van akkers. Ze werden, vanwege de vreemde afbeeldingen, door onze voorouders niet als munt herkend.

De Kelten hadden geen echte geldeconomie. Ze gebruikten hun munten vooral voor de betaling van oorlogsschatting, bruidsgiften en offergaven en voor andere ceremoniële betalingen.

Het waren meesters in de bewerking van allerlei soorten metaal. De toepassing van zilver was echter zeer beperkt. Vondsten zijn er niet of zijn zeer zeldzaam.

Vooral de metalen goud, brons en ijzer werden gebruikt voor het ontwerpen van allerlei sierraden en gebruiksvoorwerpen en wapens. Het lood was bij hen ook bekend.

Zij waren het ook die de bewoners van onze streek voor het eerst kennis lieten maken een nieuw materiaal, het glas. Men maakte er sierraden in de vorm van glazen armbanden de z.g. La Têne armbanden.

De Romeinen

De Keltische munten verdwenen na het binnendringen van de Romeinse legers onder aanvoering van Gaius Julius Caesar voor het begin van onze jaartelling. ( 50 v. Chr.)

Langs de grens, waartoe in Nederland het Rivierengebied behoorde en in Duitsland de Rijn, werd een reeks versterkte militaire nederzettingen gebouwd: enige castra, waar duizenden soldaten gelegerd konden worden en vele castella voor kleinere eenheden. (o.a. castellum Ceuclum/Cuyk)

De Romeinen verdeelden het land in civitates, bestuurlijke eenheden met ieder een eigen centrum, en legden wegen aan tussen burger- en militaire nederzettingen.

Op “Boxmeers” grondgebied liep de weg van Tongeren (Atuatuca Tungrorum) naar Nijmegen (Noviomagum)

Romeinse weg te Boxmeer.

Deze zg. heerbaan, die bestond uit een grintlaag van ongeveer 40 cm. dikte met een breedte van 6 meter en gesitueeerd tussen de Peel en de Maas, had een belangrijke economische betekenis. Het was immers de enige begaanbare Zuid-Noord route.

Veel lieden maakte er gebruik van.

Overal in het land, in de nabijheid van de heerbanen, werden villae (hereboerderijen) gesticht, die door hun uitstraling de romanisering van het platteland bevorderden.

De Romeinen hadden in het begin in Italië een geldstelsel met een zilveren munt, de denarius. ( 280 v. Chr.)

De Romeinen hadden moderne wapens nodig. Deze kochten ze van de Griekse bevolking in Zuid-Italië. De wapens werden alleen geleverd als er betaald werd met zilveren munten, die aansloten bij de Griekse munttraditie. Daarnaast hadden ze ook munten van koper.

Voor het begin van onze jaartelling en de tijd daarna werd het Romeinse Muntstelsel in ons gebied geïntroduceerd en gekenmerkt door het gebruik van 3 muntmetalen, goud, zilver en koper/brons. De munten bevatten het portret van de regerende keizer en zijn daardoor goed te dateren.

Muntstelsel Romeinen:

1 aureus(goud), 2 denarius(zilver), 3 sestertius, 4 dupondius, 5 as,  6 quadrans (semis niet afgebeeld)

De munten zijn door middel van speciale, militaire geldzendingen in onze streek gekomen.

De soldaten ontvingen hun soldij in munten en dus wilden ze er ook hun aankopen mee betalen, zelfs in onze streken waar geld  tot dan toe nagenoeg onbekend was.

Hierdoor ontstond vanzelf een soort geldeconomie. De inheemse leveranciers van voornamelijk vlees en graan en leer waren gedwongen het geld aan te nemen en op hun beurt  gingen ze dus met geld betalen.

Naar aanleiding de vondst van zilveren Romeinse munten in Boxmeer, mogen we concluderen dat de bevolking regelmatig met zilver geconfronteerd werd en het zowaar letterlijk in handen kreeg, tenslotte lag de Romeinse nederzetting in die tijd(Ceuclum/Cuyk) erg dichtbij.

 

 

 

Zilveren Denarius: enkele van de zilveren Denari, gevonden in Boxmeer

Verder weg van de Romeinse nederzettingen was er minder behoefte aan geld, doordat men in eigen onderhoud kon voorzien  en verwierf met sierraden en wapens nog door middel van ruilhandel.

Het gebruik van zilver voor sierraden, gebruiksvoorwerpen en kunstvoorwerpen werd in die tijd universeler.

De inheemse bevolking zal naast de zeldzame gouden voorwerpen steeds vaker te maken krijgen met de produkten van de Romeinse zilversmeden.

De technieken waarover zij beschikten waren ciseleren, granuleren, hameren, gieten en draadtrekken.

De voorwerpen werden vaak door soldaten en een enkele keer door een handelaar meegebracht.

Rondom de militaire nederzettingen en in de burgerlijke nederzettingen zal het bezit van zilver ongetwijfeld regelmatiger zijn dan op het “platteland”.

Bij grondwerkzaamheden in onze omgeving zijn meer dan eens resten en sporen van een Romeinse/inheemse nederzetting aangetroffen.

De kans dat men in een dergelijke nederzetting zilveren sierraden vindt is erg klein.

Men beschikte er niet over of men was er zeer zuinig op en waarschijnlijk bleef het binnen de familie als erfgoed.

Een bewijs voor een nederzetting vormen de talrijke aardewerk (klei) scherven. In een “rijke” nederzetting vindt men vaak rood, fijn glanzend aardewerk, het zogenaamde Terra Sigillata (gestempeld aardewerk). Door een stempel in de bodem van een aardewerk kom, pot of schaal kan men het zeer goed dateren, omdat het stempel  van de pottenbakkerij of van de maker bekend is.

Terra sigillata gevonden tijdens de opgraving  Sterckwijck

In een dergelijke nederzetting hadden de bewoners zeker vaker de beschikking over zilveren voorwerpen. Deze luxe zaken treft men echter vaker aan in Romeinse graven, omdat de Romeinen de gewoonte(het geloof)hadden, voorwerpen van edel metaal(munten) aan hun doden, op reis naar het hiernamaals, mee te geven.

Naast bronzen voorwerpen vindt men vaak resten van maalstenen, tufsteen, dakpannen, slijpstenen, spijkers en soms een stukje glas.

De geldeconomie verdween al spoedig nadat de Romeinse legers zich in 402 na Chr. voorgoed uit Noordwest-Europa hadden teruggetrokken.

Een aantal 4de eeuwse Romeinse munten zoals die in ons gebied circuleerden. De munten(250) zijn verspreid gevonden in de directe omgeving van Nijmegen en door mij een aantal jaren geleden voor een prikkie aangekocht op de koninginnemarkt  in het Goffertstadion te Nijmegen van iemand die stopte met zijn hobby metaaldetector.

Door de inflatie  zijn de bronzen munten in de 4de eeuw aanzienlijk kleiner geworden dan in de bloeiperiode van het Romeinse Rijk.

Alle informatie over de situatie is bij gebrek aan geschreven bronnen afhankelijk van onderzoek uit archeologische opgravingen. Dat geldt ook voor enkele eeuwen na het vertrek van de Romeinse legioenen.

Veel vondsten zijn te bewonderen in het Museum Gemeente Boxmeer in het souterrain van het Kasteel van de Zusters van Julie Postel

Dick Reijnen

Opgraving Synagoge Boxmeer

Geplaatst door: 06/04/2012

Een verrassende ontdekking:

Opgraving Synagoge Boxmeer

De funderingen van de synagoge te Boxmeer zijn blootgelegd. Er werd een verrassende ontdekking gedaan.

———————————————————–

Fundamenten synagoge Boxmeer teruggevonden

Publicatie: omroep brabant: dinsdag 4 oktober 2011 – 17:35 | Auteur: Hans Janssen
BOXMEER – In Boxmeer zijn restanten teruggevonden van een voormalige synagoge. Het gebedshuis werd in 1863 gebouwd en in 1943 gesloopt.
De fundamenten van de synagoge werden ontdekt bij werkzaamheden rond het Jodenstraatje. Hier staat al een monument, waarmee joodse inwoners van Boxmeer worden herdacht die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen.
Parkeerplaatsen Het is de bedoeling dat bij de aanleg van parkeerplaatsen rekening wordt gehouden met de contouren van het oorspronkelijke gebouw. De joodse gemeenschap heeft een belangrijke rol gespeeld bij de industriële ontwikkeling, die Boxmeer de vorige eeuw doormaakte.
De werkzaamheden bij het Jodenpaadje zijn nodig om een eind te maken aan wateroverlast in dit lage deel van Boxmeer. Er komt een rioolstelstel en hier bovenop zijn de parkeerplaatsen gepland.

————————————————————————————————–

De synagoge zoals oud Boxmerenaren zich ongetwijfeld zullen herinneren. Op 29 september is men begonnen met het het opgraven van de Synagoge te Boxmeer.

Mikwe of rituele badruimte

Begeleiding door archeoloog Jos van der Weerden van opgravingsinstituut BAAC en ondergetekende als amateurarcheoloog.  Joost de Best is bij dit project supervisor namens de Gemeente Boxmeer. Het is de bedoeling om de contouren van de synagoge terug te laten komen in het plaveisel van het parkeerterrein. Alle nog bestaande funderingen en overblijfselen worden behouden door ze met zand af te dekken. Binnen de fundamenten van de synagoge werd de MIKWE aangetroffen. Een Mikwe is in het Joodse geloof een rituele wasplaats. De Mikwe bestond uit 3 segmenten met muren ertussen. Later werd buiten de synagoge nog een Mikwe aangetroffen.

Volgens Theo Seijs specialist op het gebied van de Joodse Gemeenschap in Boxmeer is de synagoge gebouwd op de resten van de leerlooierij van Levi Lion. Na enig speurwerk zijn binnen de fundamenten  sporen van de leerlooierij van Levi Lion terug gevonden.
Info: Leerlooierij Theresia Lion wordt geboren als dochter van Levi Lion en Rosetta van Leeuwen. Haar roepnaam was Trees. Theresia Lion was het zevende kind in een gezin van acht kinderen. Haar tweelingbroer heette Maurits. Theresia Lion bleef ongehuwd. Zij woonde met zijn tweelingzuster en met haar jongere broer Joseph aan de Steenstraat 156 in Boxmeer. Hier was tevens het familiebedrijf gevestigd: de firma wed. L.Lion, leerlooierij en handel in leder en manufacturen. Theresia voerde de huishouding. Stromend water ontbrak in het huishouden, er was alleen een pomp in de keuken.

bodem kalkkuip
restant eiken kuip
restant eiken kuip
put

foto’s Dick Reijnen, voor meer info Theo Seijs.

 

Opgraving synagoge Boxmeer

Geplaatst door:

De synagoge zoals oud Boxmerenaren zich ongetwijfeld zullen herinneren.

Op 29 september is men begonnen met het het opgraven van de Synagoge te Boxmeer.

Begeleiding door archeoloog Jos van der Weerden van opgravingsinstituut BAAC en ondergetekende als amateurarcheoloog.xa0 Joost de Best is bij dit project supervisor namens de Gemeente Boxmeer.

Het is de bedoeling om de contouren van de synagoge terug te laten komen in het plaveisel van het parkeerterrein. Alle nog bestaande funderingen en overblijfselen worden behouden door ze met zand af te dekken.

Binnen de fundamenten van de synagoge werd de MIKWE aangetroffen. Een Mikwe is in het Joodse geloof een rituele wasplaats. De Mikwe bestond uit 3 segmenten met muren ertussen. Later werd buiten de synagoge nog een Mikwe aangetroffen.

 

 

Boxmeer “Het geheim van Kerckenzight”

Geplaatst door: 05/04/2012

Het geheim van Kerckenzight

                                          
Bij de sloop van het huis van Willy Verdijk, alias De Scheer t.o.v de St. Petrus Basiliek te Boxmeer, kwam alweer een tijd geleden achter een oude schouw een nog veel oudere schouw te voorschijn, aldus de eigenaar van het slopersbedrijf. Deze schouwombouw is gemaakt van gietijzer en is versierd met druivenranken en een bloemenmand en vruchten. Het boeiende van dit voorwerp is dat er onderaan een jaartal staat en wel ANNO 1697. Het deel waar ANNO staat is in het verleden om nog onduidelijke redenen gebroken geweest en gerestaureerd door middel van een plaat ijzer. Aan de achterkant zitten bevestigingshaken die ervoor diende om de gietijzeren plaat achter bakstenen klem te zetten of in te metselen. Hoe het voorwerp in dit huis terecht is gekomen zal wel nooit opgehelderd worden. Of het ooit deel uitmaakte van de woning die hier in de 17de eeuw heeft gestaan en bij de sloop ervan behouden is gebleven en opnieuw verwerkt  in de nieuw gebouwde woning is denkbeeldig. Na de sloop van het huis van De Scheer zijn wel een aantal munten gevonden uit dezelfde periode als vermeld op de schouwplaat of -ombouw. Het is zeker dat het huis van de Scheer voorgangers had uit die tijd. Dit blijk uit oude kadasterkaarten en oude ansichten. Door toeval zag ik de schouw bij container met oud ijzer liggen. Na een gesprek met de eigenaar van het slopersbedrijf werd afgesproken dat ik het antieke stuk gietijzer voor een zacht prijsje kon kopen. Daarna meteen actie ondernomen. Nu meenemen zei de sloper anders is hij weg. Zo gezegd zo gedaan. Achter op de drager van de fiets werd het antieke stuk al lopende naar huis vervoerd. Daar is het grondig schoongemaakt want de plaat was voorzien van een laag zwarte verf. Dat het geheim van deze schouw ooit ontrafeld wordt, is niet waarschijnlijk.
Tekst en Foto’s Dick Reijnen

Op 13 en 14 juli een boomstamwaterput opgegraven: deel VI

Geplaatst door: 21/07/2011

De geologische kant van het verhaal.

Als ze een bouwput diep uitgraven krijg je de gelegenheid een wandprofiel te schaven en daardoor een mooi beeld van de geologische opbouw van het gebied te voorschijn te laten komen.

Geo1
Als een natuurlijk schilderij komt de formatie van de sedimenten zand en klei te voorschijn.

Een dikke laag zwarte grond, een dun laagje zand boven gevolgd door een dikke laag klei, die weer gevolgd wordt door een dikke zandlaag.

Alle  sedimenten zijn hier opgebracht door overstroming van de rivier de  Maas.
Klei gedurende een rustige stroming en zand in een periode van onstuimige stroming. Klei kan alleen daar bezinken waar de stroming van het water rustig is. Zand bevat grovere en zwaardere korrels en kan alleen bezinken daar waar de stroomsnelheid van het water groter is.

 

Geo2

Onderaan het profiel op ongeveer 2,50 meter diepte komt het grondwater al tevoorschijn. De kleilaag is ongeveer 1,20 meter dik.

Wanneer die lagen gevormd zijn is nog niet bekend. Misschien kunnen geologen hier berekeningen en hun meningen  op los laten. Wat de kleilaag betreft; als er per jaar een millimeter klei is afgezet dan doet de natuur er 1200 jaar over om een laag van 120 cm af te zetten.

Geo3

Tegen de muur op het blauwe zeil  is houtwerk aangebracht. De horizontale lat bevindt zich precies op 14.85 boven NAP. Rechts bevond zich de waterput. Kunnen we hier spreken van een stroomrug of heeft er duinvorming plaats gevonden. Naar alle windstreken loopt het gebied hier af. Een gegeven is dat kerken, kapellen en heiligdommen altijd op de hoogste plek in de omgeving werden gebouwd zo ook hier ter plaatse. Dit had ongetwijfeld ook te maken met het begraven in en later rondom de kerk.

Geo4

Geo5

Geo6
Geo7

Op de plaats waar de boomstamput heeft gezeten kreeg ik de gelegenheid om ook een profiel te steken zodat de ingraafkuil voor het destijds plaatsen van de uitgeholde boomstam mooi naar voren kwam. Men heeft dwars door de sedimentlagen heen gegraven. Hopelijk staan er nu geologen op die mij kunnen helpen met de interpretatie van deze grondlagen die over het hele gebied, al dan niet verstoord, te voorschijn zijn gekomen.

Dick Reijnen,

foto’s Dick Reijnen

 

Op 13 en 14 juli een boomstamput opgegraven: deel V

Geplaatst door: 20/07/2011

Op 13 en 14 juli een boomstamput opgegraven

Het karwei is geklaard de put ligt in 6 delen op de kant.

49a 

Later zijn de delen hout met een kruiwagen naar ons adres vervoerd en ter plaatse met de tuinslang schoon gespoten.

50 

Opvallend was dat zich op het grootste deel van het hout nog de schors van de eikenboom bevond.

De volgende dag werd de put op het grasveld in elkaar gezet. Dit was gemakkelijk omdat alle 6 delen met spijkerjes gemarkeerd waren.

51 

Een paar technische gegevens van de put:
 
Doorsnede 75/80 cm
 
Omtrek 282 cm
 
Hoogte tot 65 cm
 
Delen: 6 planken
 
Breedte:
1 plank 95 cm
1 plank 28 cm
1 plank 56 cm
1 plank 33 cm
1 plank 32 cm
1 plank 38 cm

Materiaal: eiken hout

Dikte van de planken aan de onderzijde  5/6 cm.

 Kenmerken: onderaan rondom naar binnen afgeschuind.

Alle planken lijkenbaan beide zijde afgeschuind zodat ze goed tegen elkaar passen.

Waarschijnlijk heeft er een constructie van wilgentenen of touw omheen gezeten om de boel bij elkaar te houden. Het kan ook zijn dat de eikenboom in tweexebn gezaagd is en dat die delen uitgehold zijn en daarna tegen elkaar gezet. In de loop van eeuwen kan de boom op een natuurlijke wijze gespleten zijn. Dit moet nog onderzocht worden.

De ouderdom kan ook door dendrochronlogisch onderzoek vastgesteld worden.

Naar aanleiding van het aardewerk kan volgens mij de put gedateerd worden in de vroege middeleeuwen, ook dit wordt nog nader onderzocht.

Voor het behoud van de put is het belangrijk dat het hout op een juiste manier geconserveerd wordt. De beste methode is vriesdrogen. Dit is echter een landurig proces (3 maanden) en brengt erg veel kosten met zich mee. een andere methode is impregneren met methylacrylaat. Daarnaast zijn er nog een aantal goedkopere methodes, o.a. langzaam op een overdekte plek laten drogen en met tussenpozen nat spuiten. Men beraadt zich hier nog over.

De put wacht een goede bestemming n.l. het MUSEUM GEMEENTE BOXMEER (klik s.v.p. erop)

In dit museum zijn op dit moment talrijke archeologische vondsten uit de Gemeente Boxmeer te bewonderen.

Dick Reijnen

Op 13 en 14 juli een boomstamput opgegraven: deel IV

Geplaatst door:

 
Op 13 en 14 juli een boomstamput opgegraven. Vervolg van deel III

De kraanmachinist schoot ons te hulp.

41 

Na een paar happen met de bak was alle grond voor de put verwijderd, zodat de put van boven tot onder zichtbaar werd. Hierdoor werd het mogelijk om 1 plank makkelijk ertussen uit te halen. Daarna was het een fluitje van een cent en volgde de rest van de stukken hout spoedig.

Met dank aan Gebr. van den Broek Wijchen. klik op Gebr van den Broek.

Opmerking: van instortingsgevaar was geen sprake omdat achter de put over de hele lengte van de fundering van het erachter gelegen huis van Bastiaans een damwand van beton was gemaakt die 7,50 meter diep reikte. Indien dit niet het geval was geweest was het een behoorlijke riskante onderneming geweest , die kan ik niemand zou aanbevelen. Een buitenkansje dus.

42 
Het karwei was snel voor elkaar. 

43 44 45 46 

48 Hugo

Het karwei zit erop, de put ligt in zes delen op de kant.

klik op WATERPUT (voor een video-opname)

Klik op WATERPUT

Klik op WATERPUT

Dick Reijnen, foto's en video Hugo Reijnen

 

 

 

 

Op 13 en 14 juli een boomstamput opgegraven: deel III

Geplaatst door:

Op 13 en 14 juli een boomstamput opgegraven.

vervolg van deel II

29 

Een boomstamput is een oud type waterput dat tot 1250 in gebruik was. Hierbij werd een uitgeholde boomstam, gewoonlijk van een eik, in de grond gegraven.De boomstamput was gewoonlijk enkele meters diep. Dank zij het gebruikte materiaal kan men de ouderdom van een dergelijke put, met behulp van dendrochronologie, gemakkelijk bepalen.

Op 14 juli trokken mijn zoon Hugo en ik gewapend met een schop en een emmer naar de bewuste plek om de waterput eruit te halen. Ron Fierst van het Museum Gemeente Boxmeer werd ook om hulp gevraagd. Eerst werd het water uit de put geschept zodat het werk in de put wat gemakkelijker werd. De zuigkracht van het zand in de put was enorm zodat ik met de grootste moeite steeds weer mijn laarzen uit het zand moest trekken. De planken heb ik gemarkeerd met spijkertjes. De eerste plank, 1 spijkertje, het volgende stuk 2 spijkertjes enz., met de bedoeling om later de put makkelijker in elkaar te kunnen zetten.

30 31 32 33 
34 35 foto's Hugo Reijnen

Toen de onderkant van de put bereikt was konden het hout geborgen worden althans dat dachten we.

De planken stonden zo vast in het water en het zand dat dit met geen mogelijkheid ging. Bovendien, zoals later zou blijken, waren alle stukken aan de zijkanten bij productie van de put in het verre verleden, zo afgeschuind dat ze min of meer klem stonden en alleen naar de buitenkant toe verwijderd konden worden. Dit ging dus niet omdat de hele put door zand was omgeven. Dan maar graven met de schop. Hier was echter geen beginnen aan. Om op te schieten. Een Heidens karwei. De redding was een graafmachine die een eind verderop bezig was.

39 

40 
Kort overleg……………….. zou de kraanmachinist willen helpen?????

wordt vervolgd

Dick Reijnen. foto's Hugo Reijnen

 

 

 

 

 

Op 13 en 14 juli een boomstam waterput opgegraven: deel II

Geplaatst door:

vervolg deel I

De sporen vervaagden op een bepaalde diepte. Er was geen reden om aan te nemen dat er meer onder zat.

5-13 juli 
Dit zou bij de volgende inspectie van het terrein wel anders blijken.

Op 13 juli was dit deel van het terrein weer dieper uitgegraven. Automatisch loop je dan even langs alle wanden om te kijken of er nog sporen zitten. Op de plaats van de waterput kwam een raar spoor te voorschijn.

7 

In de rechthoek  zie je de sporen van het ronde uitgegraven gat dat beschreven is in deel I 4 de uitgegraven ronde grijze verkleuring.

Bij nadere inspectie van dit spoor stuitte ik op dieper gelegen resten hout. Het werd duidelijk dat we hier te maken hadden met de sporen van een houten waterput. Bij het schaven en verdiepen van eerder gegraven ronden plek kwam er een duidelijk rond spoor tevoorschijn.

8 10 11 12 klik voor een vergroting.

De sporen deden het vermoeden van de aanwezigheid van een waterput bevestigen.

Het grote ronde spoor zijn de resten van een boomstamwaterput waarvan al het hout dat zich boven het grondwater bevindt in de loop van meer dan 10 eeuwen verrot is. Alles wat zich in het grondwater bevindt blijft nagenoeg goed geconserveerd hetgeen een dag later zou blijken.

15 16 17 18De waterput komt tevoorschijn.

Het valt niet mee om de bodem van een dergelijke waterput te bereiken omdat het grondwater op een bepaalde diepte met een zulke kracht opborrelt dat de put weer binnen de korste keren vol water staat. In een eerder artikel over waterputten is al aangegeven dat deze putten vaak gemaakt werden op wateraders die diep in de grond liepen en steeds voor een stuwing zorgde zodat de put vol water bleef. Deze wateraders werden opgespoord met een wichelroede. Dit principe past men in de huidige tijd ook nog toe. 

De vondsten uit deze put bestonden uit aardewerkscherven, stukken verroest en aangekoekt ijzer en een bikkel die gemerkt was met een VI. Een bikkel werd gebruikt bij het bikkelspel.

Bikkelspel. voor meer info klik op Bikkelspel.

Verklaring:

Een boomstamput is een oud type waterput dat tot 1250 in gebruik was. Hierbij werd een uitgeholde boomstam, gewoonlijk van een eik, in de grond gegraven.De boomstamput was gewoonlijk enkele meters diep. Dank zij het gebruikte materiaal kan men de ouderdom van een dergelijke put, met behulp van dendrochronologie, gemakkelijk bepalen.

De volgende dag 14 juli zou geprobeerd worden de put te bergen.

Wordt vervolgd:

Dick Reijnen